De twee artikels die in vorige edities van de Gazet van Stekene verschenen blijven de aandacht krijgen van lezers, dat mag duidelijk zijn.
In het eerste artikel ging de aandacht naar de oudst gekende bewoner, Richard Begyn, wiens nazaten er nog veel over konden vertellen. In het tweede artikel vernoemde ik de naam Palmkoeck, en ja hoor, ook die nazaten hebben nog herinneringen aan het boswachtershuis. Via Margot Palmkoeck kwam ik te weten dat haar tantes daar de laatste bewoners geweest zijn. Een bezoekje aan hen mocht dus niet ontbreken.
Palmkoeck & Palmkoek
Ik werd hartelijk ontvangen door de zussen Liliane Palmkoeck (83) en Gerarda Palmkoek (89). Bij de aangifte van de geboorte is daar blijkbaar destijds een foutje in het noteren van de namen gebeurd…
Samen met Margot werden aan tafel prachtige foto’s uit de oude doos bovengehaald en vertelden de zussen hun belevenissen in het boswachtershuis. Toen in 1945 de eigenaar van het Stropersbos Robert Vindevogel stierf en de huur van Richard Begyn was opgezegd, kwam Johannes Palmkoeck met zijn vrouw Maria Verelst (‘mitte bossen’) en hun 6 kinderen daar wonen, waaronder Liliane en Gerarda. Ze hebben daar gewoond tot eind september 1982,
ZONDER elektriciteit, ZONDER stromend water of andere nutsvoorzieningen zoals we die vandaag kennen. Hun vader was bos- en jachtwachter in het Stropersbos en is in 1964 thuis gestorven. Liliane was intussen gehuwd met Emiel Van Daele en zij woonden in bij het gezin in het ouderlijk huis. Emiel nam de taak van bos- en jachtwachter over, samen met Albert Van Goethem (de latere grafmaker in Stekene, en bezieler van de herinnering aan de Poolse bevrijding in WOII). Ze hadden daar een vrij leven en ze waren eigen baas. Het Stropersbos was toen immers niet toegankelijk voor het publiek en Emiel heeft zelfs ooit de burgemeester van Sint-Gillis-Waas de toegang tot het gebied ontzegd!
Leven in en met de natuur
De huidige tendens die veel mensen aantrekt om volledig ‘off the grid’ (= van het net af, oftewel zonder de nutsvoorzieningen) te gaan leven was voor Liliane en Gerarda 37 jaar lang de normaalste zaak van de wereld. Zich verwarmen en koken gebeurde aan de kachel, en op een gasvuur met gasflessen. Moeder bakte brood in een grote houtgestookte oven die in de schuur stond, en de ketel met water voor de kookwas werd daar ook opgewarmd. De was gebeurde met wasklopper, wasbord en werd gedroogd op ‘den bleek’ of op een wasdraad. Water haalden ze van de pomp die tegen de achtergevel van de woning stond, en hun behoefte moesten ze doen in ‘’t huiske’ met krantenpapier dat als toiletpapier dienstdeed. Verlichting was met olielampen en elk kreeg een zaklamp op batterijen, waarvan ze er heel wat gebruikt hebben in de vele jaren dat ze er woonden. Melk haalden ze bij Fiel Suy in een boerderijtje dat schuin over hun huis stond, maar dat intussen al veel jaren afgebroken is.
Zonder ijskast
Een ijskast? Niet nodig: ze hadden een droge, ruime en koele kelder waarin een kuip stond met gepekeld vlees, afkomstig van hun eigen varkens of kalveren. In de stal was plaats voor 2 varkens en 2 kalveren, en in de boomgaard was een kippenren en werden ook soms schapen en een geit gehouden en naast de stal was de lochting waar ze groenten kweekten. Fruit en eten was er dus in overvloed; de zussen hebben daar een sober maar goed leven gehad. De jongste zus Brigitte was een echte bloemen- en kruidenliefhebber, en zij ging naar school in de toenmalige meisjesschool in Kemzeke. Dankzij haar is de toenmalige directrice Zr. Caritas met haar leerlingen verschillende malen naar het Stropersbos gekomen om de natuur beter te leren kennen.
Te voet naar school
Liliane en Gerarda moesten alle dagen te voet naar school in de wijk ’t Kalf door het donkere Stropersbos, en wekelijks te voet naar de kerk in Sint-Gillis-Waas, maar ook daar klaagden ze niet over. Later hadden ze wel de luxe van een fiets: moeder reed, de ene dochter vooraan op de fiets en de andere op het stoeltje achteraan.
Hun broers waren in de week meestal elders gaan werken op boerderijen en bleven daar dan slapen; enkel in het weekend kwamen ze naar huis. De jongens sliepen dan in één kamer boven, de meisjes in de andere kamer. De ouders sliepen op de bovenkamer, die zich boven de kelder bevond.
Margot herinnert zich nog de gezellige kerstdagen waar iedereen rond de grote tafel zat en plezier maakte bij het licht van olielampen en een brandende kachel.
Een toekomst voor het boswachtershuis?
Niet alleen de familie Palmkoeck heeft op vorig artikel gereageerd, ook de huidige boswachter van het Stropersbos, Joris Goossens, was tijdens het archiveren van documenten op een map gestoten met papieren die ik mocht inkijken over de aankoop van het boswachtershuis door het toenmalig Bestuur van Waters & Bossen. Op 21 december 1979 kochten zij 79 ha in de Stropersbossen. In de akte was voorzien dat het jachtrecht nog tot 1 juli 1982 doorliep, verpacht aan notaris Gilbert Bohijn uit Kemzeke; landbouwgrond verpacht aan A. Van Duyse uit Sint-Gillis-Waas en het boswachtershuis dat verhuurd was aan Emiel Van Daele. De huur werd opgezegd met ingang van 1 oktober 1982, waarna het huis ter beschikking was van de boswachters en werklieden van Waters & Bossen en aanvankelijk gebruikt werd als opslagplaats.
Momenteel zijn de woning en de schuur in zeer slechte staat en onbewoonbaar, maar met de kennis en waardering die we nu hebben voor het gebouw en de mensen die erin gewoond hebben en die voor het Stropersbos gezorgd hebben, zou het mooi zijn om het te restaureren en er een nieuwe bestemming aan te geven, als onthaalpunt voor het Stropersbos, als veldcafé, als rustplek ‘off the grid’ of wie weet welke andere opties er nog zijn.
Wie zet hier mee de schouders onder om de Vlaamse overheid te bewegen actie te ondernemen vooraleer het een ruïne is?