Toen we op zaterdag 13 september onze vorige editie van de Gazet van Stekene op de markt uitdeelden werden we aangesproken. ‘Weet je dat deze meneer hier ooit twee keer Belgisch kampioen hardlopen werd? En of we daar geen stukje over konden maken in onze volgende krant?’ Vaneigenst willen we dat doen, dus trokken we op een herfstochtend naar het appartement van Freddy Van De Cruyssen in de Dorpsstraat in Stekene.
‘Eigenlijk wilde ik niet gaan lopen maar gaan koersen’, is de verassende openingszin. ‘Ik was verzot op een koersfiets maar dat mocht niet van thuis. Misschien konden mijn ouders het zich niet veroorloven, ik werd op het einde van de oorlog in 1944 geboren als vijfde kind. Een nakomertje en mijn ouders hadden het niet breed. Ik was lid van de KAJ, een jeugdvereniging die sportkampen organiseerde. Lopen was daar eentje van en ik had daar wel een beetje voor getraind. De gebroeders Persoon hadden mij zien lopen en zijn bij mijn ouders komen vragen of ik niet wilde aansluiten bij de atletiekclub in Sint-Sint-Niklaas.’
‘Over die club kan ik weinig goeds vertellen. Het liep daar vol met ‘doktoors’ en andere notabelen uit de stad en hun kinderen. Iemand die studeerde werd opgehemeld en wij waren maar boerkes van den buiten waar ze duidelijk op neerkeken. Niet in het minst omdat ik reeds vanaf mijn veertiende moest gaan werken. De trainingen stelden ook al niet veel voor, gewoon wat lopen van de ene paal naar de andere en weer terug. Als kadet was ik daardoor een middelmatige loper. Ik had via via al van intervaltrainingen gehoord en in een boekenwinkel in Sint-Niklaas vond ik daarover een boekje. Daar heb ik mijn eigen trainingsprogramma uitgehaald, het eerste jaar als scholier blonk ik nog niet meteen uit maar in de zomer brak ik helemaal door. Echte snelheid had ik niet maar ik was sterk op de langere afstanden: 1500 en 3000 meter waren mijn ding.’
Iedereen gedubbeld
‘Als scholier werd ik twee keer Belgisch kampioen in 1962: op de 3000 meter op de piste en in de veldcross in Evere waar vandaag het NAVO-gebouw staat. Op die 3000 meter liep ik tevens een Belgisch record en dubbelde ik alle tegenstanders. En dat helemaal alleen, vandaag gebruiken ze een haas om records te vestigen. Als junior werd ik derde in het Belgisch kampioenschap en mocht ik naar de Landencross in het Spaanse San Sebastian. Het WK bestond toen nog niet en van de Afrikaanse suprematie was toen nog geen sprake. Ik heb daar slecht gelopen en werd pas 18e.’
Geen doping
‘De overstap naar de seniors was moeilijk. In mijn eerste jaar kwam ik tekort, dus moest de training intensiever. Vanaf mijn tweede jaar trainde ik twee keer per dag. Voor het werk een uur lange afstand, dan negen uur werken in de weverij en nadien nog anderhalf uur intervaltraining. Dat was redelijk doenbaar, mijn thuis was in de Nieuwstraat en de weverij was daar vlakbij. Tot die in 1965 of 1966 failliet ging. Vanaf dan moest ik naar Sint-Niklaas om te gaan werken. Met de fiets of vaak al lopend maar dan kwam ik daar bezweet toe zonder een mogelijkheid om me te wassen. In mijn derde jaar als senior kwamen ze me vragen welke dopingproducten ik gebruikte. Ik gebruikte helemaal niets en had daar ook geen goesting in.’
Grote meneren
‘Van de club in Sint-Niklaas kreeg ik geen hulp, ook niet toen ik als junior maanden sukkelde met een achillespeesontsteking. In mijn tweede jaar als junior begon een trainer van Gantoise mij te begeleiden. Hij vroeg mij om over te stappen naar de Gentse club en ik gaf mijn ontslag in Sint-Niklaas maar die vlieger ging niet op. Ik moest voor de commissie in Brussel verschijnen. Net als in Sint-Niklaas ook daar allemaal grote meneren en hun kinderen. Mijn transfer werd geweigerd, ik was het beu en besloot te stoppen op mijn 23ste. Ik heb achteraf lang spijt gehad dat ik zo vroeg gestopt ben. Ik werd wel gehuldigd op de gemeente, de toenmalige burgemeester dokter Roggeman overhandigde mij een schaal van de gemeente. Hij had zelfs de muziekkapel voor een feestelijke optocht opgetrommeld. In de eigen gemeente kreeg ik wel de nodige waardering, ik had een supportersclub met meer dan 100 leden in café Tirol in de Polenlaan. Veel later, in 1979, kreeg ik van de gemeente de trofee voor sportverdienste. ’
Drie koffieserviezen
‘In die tijd waren er geen geldprijzen, wie geld ontving werd meteen geschorst. De winnaars kregen prijzen in natura, zo heb ik op één winter drie koffieserviezen gekregen. Wat doet een mens daarmee? Eigenlijk was ik te zwaar gebouwd om een topcrosser te zijn. Op bepaalde momenten trainde ik in Leuven met onder andere de legendarische Gaston Roelandts. Dat waren allemaal fijne mannen, die hadden een ‘schoon jobken’ gekregen en moesten alleen maar aan trainen denken terwijl ik tijdens de werkweek negen uur per dag op mijn benen moest staan.’
Sneltrappers
‘Moest ik 50 jaar later geboren zijn dan zat ik op een koersfiets. Nadien ben ik wel beginnen fietsen, maar niet in competitie. Ik was een tijd voorzitter van De Sneltrappers en stippelde meerdaagse ritten uit door gans Europa. In 2000 naar Santiago De Compostela en we beklommen ook twee keer de Mont Ventoux.’
KADERSTUK
Dat Freddy ruim 60 jaar geleden een bekend figuur was wordt duidelijk wanneer hij met een enorme doos vol krantenknipsels komt aanzetten tijdens het interview. Artikels uit alle mogelijke nationale en regionale bladen. Daarnaast een mooie map met daarin de belangrijkste artikels, foto’s én het rugnummer waarmee hij in 1962 Belgisch veldcrosskampioen werd.
Maar het meest waardevol: een klein schriftje met daarin alle wedstrijden en de resultaten die hij daar liep. Daar lezen we dat hij als kadet zijn eerste cross won in de Potaarde te Stekene in 1959. Zijn tweede seizoen als scholier was een topjaar: 12 veldcrossen, alle 12 gewonnen. Op de piste won hij in datzelfde jaar ‘slechts’ 9 van de 10 wedstrijden, in de tiende had hij een mindere dag en werd hij ‘slechts’ tweede.
Alles bij elkaar was Freddy goed voor maar liefst 49 overwinningen.
Quote:
‘Ze kwamen me vragen welke dopingproducten ik gebruikte. Ik gebruikte helemaal niets en ik had daar ook geen goesting in.’
Freddy Van Der Cruyssen