Laten we de helden herinneren dankzij wie we vandaag kunnen leven. We zijn het hun verschuldigd. Ik nodig jullie uit om kennis te maken met het verhaal van een buitengewone Pool, Sylvester Bardzinski uit Sint-Gillis-Waas, een soldaat die samen met zijn kameraden ons de vrijheid heeft gebracht. Ik heb zijn dochter Nicole Bardzinski hierom gevraagd.
Waar is uw papa geboren?
‘Op 3 december 1918, kort na het einde van de Eerste Wereldoorlog, werd Sylwester Bardziński geboren in het dorp Jaksice nabij Poznań. Een man wiens leven volledig werd veranderd door een volgende oorlog. Wat een mogelijk einde van alles leek, werd voor hem het begin van een nieuw leven.’
‘Na de basisschool begon hij aan een technische school. In die tijd werd Europa overschaduwd door de opkomst van het bruinhemdenterrorisme. In 1938 verliet hij de school en meldde hij zich als vrijwilliger bij het leger. Eind augustus 1939 leverde hij 109 auto’s af in Warschau, die door burgers waren afgestaan voor mobilisatie.Zo was hij in Warschau op 1 september toen Duitsland Polen binnenviel.’
Hoe is je vader in Schotland terechtgekomen?
‘Op 17 september 1939, de dag van de Sovjet-inval in Polen, vertrok hij met het 12e bataljon naar de grens met Roemenië om Franse wapens op te halen. Helaas werden ze daar niet vriendelijk ontvangen en belandden ze in een krijgsgevangenenkamp. Mijn vader ontsnapte – pas bij de derde poging, met hulp van een priester en welwillende mensen. Na zijn ontsnapping meldde hij zich bij de Poolse ambassade, kreeg valse documenten op naam van ‘Pila’ en reisde per trein naar Joegoslavië. Op 9 mei 1940 bereikte hij via Italië Frankrijk.’
‘Daar werden vier Poolse bataljons gevormd. Mijn vader werd ingedeeld bij het derde. Door gebrek aan moderne wapens trainden ze met geweren uit de Eerste Wereldoorlog. In hun vrije tijd hielpen ze bij de druivenoogst. Na de Duitse aanval op Frankrijk moesten ze vluchten naar de haven van Bayonne. Daar konden ze alleen per boot aan boord van een luxe Pools schip. Mijn vader was een van de eersten aan boord en kreeg daardoor een hut met een echt bed. Hij sliep de hele reis – 24 uur. In Plymouth werden ze gewassen, ontluisd en vervolgens naar Schotland gebracht, waar ze vier jaar trainden. Ze bewaakten de grenzen, leerden Engels en hielpen boeren tijdens de oogst.’
Vertel me over zijn gevechten in Normandië.
‘In 1944, terwijl Warschau zich voorbereidde op de opstand, vertrokken Poolse soldaten onder leiding van generaal Maczek naar Normandië. Mijn vader was tankchauffeur onder bevel van prins Poniatowski – een afstammeling van de laatste Poolse koning. De zwaarste gevechten moesten nog komen.’
‘Op 9 augustus werd zijn tank beschoten – gelukkig kon hij ontsnappen. Vanaf dat moment bevond hij zich altijd aan het front. Een cruciaal moment was de slag om de heuvel Mont Ormel (262) bij Falaise, van 19 tot 21 augustus 1944. De Polen blokkeerden de ontsnappingsroute van de Duitsers uit de omsingeling, hielden stand ondanks omsingeling en gebrek aan bevoorrading. Hun verzet stelde de geallieerden in staat te zegevieren. Mont Ormel kreeg de bijnaam ‘Maczuga’, en de slag wordt aangeduid als de ‘Poolse Thermopylae’.
Hoe heeft je vader je moeder ontmoet?
‘Vanuit Normandië bereikten ze binnen twee dagen België, waarbij ze steden als Ieper, Aalter, Tielt, Gent, maar ook Stekene en Sint-Gillis-Waas bevrijdden. Daar sliepen ze op velden. Een bezorgde burgemeester besloot onderdak te regelen – zo kwam mijn vader in het huis van mijn grootouders terecht, waar hij mijn moeder Marcelle ontmoette.’
‘Toen ze ‘s ochtends het huis verlieten, kreeg elke soldaat een kruisje op het voorhoofd met de zegen dat hij niet zou sterven. En zo geschiedde. Alleen hun commandant, die die dag afwezig was en geen zegen ontving, kwam om het leven. De familie van prins Poniatowski schonk een gouden hangertje met een medaille aan alle soldaten van zijn tank. Mijn vader droeg dit met trots en had dit altijd bij zich, net zoals het kleine fotootje van mijn moeder, dat ze hem gaf bij hun eerste ontmoeting.’
‘De oorlog was nog niet ten einde, en na de bevrijding van Breda verbleef mijn vader tot de kerstperiode in Oosterhout, maar ze zouden nog tot begin mei moeten strijden voor de langverwachte vrede. Vanuit Wilhelmshaven bleef mijn vader actief tijdens de demobilisatie en daar hoorde hij dat zijn zus Teresa gedwongen was te werken voor de Duitsers. Na de oorlog kwam ze in een kamp van het Rode Kruis terecht. Mijn vader vroeg mijn grootouders of ze bij hen kon wonen – ook een reden om mijn moeder te bezoeken. Teresa keerde terug naar Polen, maar schreef dat mijn vader niet moest terugkeren – de communistische autoriteiten zouden hem als verrader beschouwen. Hem wachtten gevangenisstraf of zelfs de dood.’
Heeft je vader zijn familie in Polen bezocht?
‘Op 15 juni 1948 trouwden mijn ouders. Mijn vader vroeg Belgisch staatsburgerschap aan in 1953 om zijn familie in Polen te kunnen bezoeken. De Belgische nationaliteit kreeg hij pas in 1957. In 1964 gingen we samen, met het hele gezin, met de trein. In Jaksice wachtte een parade, een grote stoet van de familie verwelkomde ons tot aan het huis van mijn grootmoeder. De herinnering aan dat moment ontroert me nog steeds.’
‘In 1990 keerde ik terug met mijn kinderen. Mijn vader ging niet meer mee. Veertien dagen voor zijn overlijden nam ik hem, op zijn verzoek, nog mee naar de herdenkingen op 9 mei. Hij was toen erg gelukkig. Hij overleed op 26 mei.’
‘Hij was bijzonder. Had veel vrienden, integreerde snel. Hij werkte in een garage en als vrijwilliger bij de brandweer. Hij werkte vanaf de eerste dag, hier in zijn nieuwe land, in een garage bij vrienden van mijn grootouders en ging als vrijwilliger bij de brandweer. Later werkte hij bij verschillende bedrijven in Sint-Niklaas. Hij sprak even goed Nederlands als Pools, maar wel dialect en met een Pools accent, kende ook Engels.
Ik weet dat je lid bent van de vzw van de eerste Poolse pantserdivisie genaamd Gen Maczek. Kun je daar wat meer over vertellen?
‘Mijn vader was reeds in de vereniging van Poolse Oud-strijders van het Waasland. Doordat ik Poolse taallessen volgde kwam hij tijdens een evenement in contact met de vereniging van Antwerpen. Zo gingen wij samen naar Kerstvieringen en vergaderingen. Inmiddels ben ik al 16 jaar bestuurslid.’
‘Ik wens dat niemand mijn vader en zijn kameraden vergeet. Iedereen moet weten dat de inbreng van de Poolse soldaten bij de bevrijding even belangrijk is als die van de Canadezen en Britten. Zij worden meestal vergeten als het gaat over belangrijke veldslagen, zoals die bij Falaise. Ze mogen niet vergeten worden – de vergeten helden – laten we dat luid en met opgeheven hoofd vertellen.’