In een rustige woonkamer in Sint-Niklaas vertellen twee zussen, Marie-Thérèse Kley-Smet en Monika Klej-Smet over hun vader: Seweryn Bardziński, een Poolse soldaat die vocht in de 1ste Pantserdivisie van generaal Maczek. Een man van discipline, doorzettingsvermogen en bescheiden heldendom. ‘Voor België was hij misschien een vreemde Pool. Voor ons was hij een rots.’
Vandaag zetten de zussen zich met evenveel vastberadenheid in voor de nagedachtenis van hun vader en zijn strijdmakkers. Ze speuren naar vergeten graven van Poolse soldaten, registreren ze bij het Instituut voor Nationale Herinnering (IPN) in Polen, en helpen mee aan het herstel van hun naam en eer. Ook in Stekene vonden ze sporen van deze geschiedenis, die ze met zorg en respect documenteren. Hun inzet draagt bij aan een blijvende erkenning van Poolse oorlogsgraven in België.
Wat weten jullie over zijn jeugd?
‘Papa werd geboren in januari 1913, in een klein dorpje in Oost-Polen: Dębowa Kłoda. Hij was nog een kind toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. De familie vluchtte naar Wit-Rusland. Daar verloor hij zijn moeder aan tyfus.Ons grootvader zat in die tijd in een krijgsgevangenkamp, dus de oudere broer en zussen van mijn vader moesten zichzelf redden. Ze gingen naar het bos om een konijntje te strikken, paddenstoelen en bessen te zoeken om te overleven. De oudste zus was misschien 16 jaar oud en mijn vader slechts 6. Tegelijk volgde hij een technische opleiding in Parczew. Hij was handig, sterk, slim.’
En dan kwam het leger?
‘In 1936 werd hij opgeroepen voor de militaire dienst. Hij blonk uit. Niet alleen als monteur, maar ook als militair. Hij kreeg zelfs een onderscheiding na een gevaarlijke missie met een motorfiets, in volle winter, bij min 20 graden.’
De oorlog veranderde alles…
‘Ja. In 1939, na de inval van nazi-Duitsland en de Sovjets, vluchtte hij via Roemenië. Daar werd hij opgepakt, maar hij ontsnapte. Via Italië en Frankrijk kwam hij uiteindelijk in Coëtquidan terecht, waar het Poolse leger zich hergroepeerde. Hij wilde blijven vechten voor zijn land – voor vrijheid. In 1940, na de val van Frankrijk, werd hij geëvacueerd naar Groot-Brittannië.’
Daar sloot hij zich aan bij de beroemde divisie van generaal Maczek?
‘Inderdaad. Hij werd tankchauffeur bij de 1ste Poolse Pantserdivisie. Ze trainden in Schotland, bewaakten de kust. Hij vertelde ons ooit dat die jaren zijn karakter vormden. Hij werd nog sterker. Een man van discipline, maar ook van kameraadschap.’
Wat weten jullie over zijn inzet in West-Europa?
‘In juni 1944 landde hij in Normandië. Papa diende als sergeant-majoor in de tiende Cavalerie brigade, het 2de squadron en trok naar Falaise en Mont Ormel. Hij was met zijn tankbemanning: kapitein Proszek, Franek Czeczot en Stanislaw Gudowski de eerste die daar met hun tank op ‘Hill 262 aankwam. Het was een hel.’
‘Ze reden over de lichamen van dode mensen en paarden.De stank was ondragelijk. Niet zonder reden wordt deze weg ‘Le couloir de la mort’genoemd. De inwoners waren enorm dankbaar, sommigen herinneren zich de Poolse bevrijders nog steeds. Helaas verliest Vlaanderen dit langzaam uit het oog. Daarom is het onze plicht om deze herinnering levend te houden.’
‘Daarna trok hij verder door België en Nederland.Na de bevrijding van andere steden in Oost- en West-Vlaanderen kwam onze vader in Sint-Niklaas aan. Zijn tank stond voor de Onze Lieve Vrouwkerk. Mijn moeder was net boodschappen aan het doen en mijn vader stond te praten met de zoon van de winkeleigenaar: Robert Van Wielendale (Stekens fotograaf). Toen papa mijn moeder zag, floot hij. Natuurlijk was ze daarmee niet gevleid. Maar Robert, die mijn moeder kende, vertaalde een paar woorden en ’s avonds zat mijn vader aan tafel bij zijn toekomstige vrouw. Voor het dessert was geen tijd meer.’
Bleef hij in België na de oorlog?
‘Ja, maar niet meteen. Eerst werd hij nog twee jaar in Duitsland gestationeerd. Daarna volgde hij in Engeland een integratiecursus. Pas in 1946 keerde hij definitief terug naar Sint-Niklaas. Hij trouwde met onze moeder en ze bouwden samen een leven op. Dat was niet eenvoudig. Poolse veteranen werden vaak vergeten. Ze kregen nauwelijks erkenning. Maar papa klaagde nooit.’
Wat betekende Sint-Niklaas voor hem?
‘Hij voelde zich thuis, maar bleef tegelijk verbonden met zijn Poolse wortels. In de jaren ’80 richtte hij samen met andere veteranen een vereniging op: ‘Kring van Poolse Oudstrijders’. Ze organiseerden bijeenkomsten, vieringen, Poolse les voor jongeren. Vandaag zet de ‘Vriendenkring van de 1ste Poolse Pantserdivisie’ dat werk voort. Ze herdenken de bevrijders, zorgen voor Poolse graven en delen de verhalen van mannen zoals onze vader.’
Wat willen jullie dat mensen over hem onthouden?
‘Dat hij zijn vrijheid opofferde voor de vrijheid van anderen. Dat hij loyaal, moedig en menselijk was. Geen man van grote woorden, maar van daden. Voor velen was hij ‘gewoon een Poolse soldaat’. Voor ons was hij een held. En we hopen dat zijn verhaal niet vergeten wordt.Vandaag is het mijn missie om graven van Poolse veteranen, overleden na de oorlog, op te zoeken en contacten te leggen met de nabestaanden. Dat was niet eenvoudig, omdat het recht op privacy een obstakel vormde. En adressen op mijn verzamelde ‘doodsbrieven’ waren niet meer actueel. Familieleden kunnen dan een geregistreerde plaquette van het Instituut voor Nationale Herdenking te Polen voor het graf aanvragen met de tekst: ‘The grave of a veteran’.
KADER: ‘The grave of a veteran’
‘We zijn erin geslaagd 72 van dergelijke plaquettes te verkrijgen. Aan de burgemeesters vragen we dan voor deze graven een blijvende en kosteloze concessie toe te kennen en te erkennen als oud-strijdersgraf. Hiervoor zijn we Stekene, Sint-Gillis, Willebroek, Gent en Duffel enorm dankbaar.’
‘In het bijzonder willen we burgemeester van Stekene, meneer Stany De Rechter, hartelijk bedanken voor zijn persoonlijke betrokkenheid en constructieve samenwerking in dit project. Dankzij zij engagement konden we belangrijke stappen zetten in het erkennen en behouden van Poolse oorlogsgraven op het grondgebied van Stekene.’
‘We doen nog een warme oproep om niet-gekende Poolse graven te laten registreren – alle informatie hierover is steeds welkom. Het is onze verantwoordelijkheid hun namen te blijven eren, hun graven een gezicht te geven en hun verhalen door te vertellen.’